Berichten

, , ,

Woningdelen: verhuurd volgens de regels?

huisgenotenLet op! De gemeente Amsterdam heeft per 1 januari 2017 de regels voor het huren/verhuren van woningen voor meerdere personen veranderd. Een update hierover volgt z.s.m. op onze website.

Amsterdam kampt met een tekort aan woningen in alle categorieën, zo ook bijvoorbeeld starters. De wens is om zelfstandig te wonen, maar de realiteit is voor velen dat dat financieel gezien niet haalbaar is. Laat staan dat je ooit aan de beurt komt voor een sociale huurwoning. Een oplossing is het delen van een woning; samen met anderen huur je dan een woning in de vrije sector en deel je dus de (hoge) lasten. Iedereen blij: de starters hebben een plek in de stad die zij thuis kunnen noemen, en verhuurders kunnen een hogere huur voor hun woning vragen (drie mensen met een baan kunnen tenslotte meer betalen dan één of twee).
Geen probleem, of wel?

Misschien wel, want er zijn daadwerkelijk regels over wanneer een huurwoning wel of niet door een aantal volwassenen bewoond mag worden. Dus wanneer verhuur je een woning legaal aan een groep mensen?

Het antwoord op deze vraag is niet zo eenvoudig als het lijkt.

Dit heeft ook de gemeente zich gerealiseerd door de resultaten uit het onderzoek ‘Woningdelen in Amsterdam’ van februari 2016. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente, naar aanleiding van de nota ‘Ruimte voor woningdelers’ van januari 2014 .

De gemeente wil namelijk graag zo veel mogelijk verschillende vormen van wonen faciliteren in de stad, maar wel natuurlijk zonder dat dat ten koste gaan van de leefbaarheid. Om excessen tegen te gaan zijn er regels opgesteld waaraan moet worden voldaan om een huurwoning te mogen delen. Enerzijds zijn dat regels voor onzelfstandige woningen, studentenhuizen bijvoorbeeld, waarin een kamer wordt verhuurd. Anderzijds zijn dat regels voor zelfstandige woningen die op verschillende manieren door een aantal mensen kunnen worden gehuurd.

Dus wanneer is een woning een studentenhuis, en moet aan die regels worden voldaan, en wanneer is het een woning die door een groep wordt gehuurd? En wanneer is er sprake van ‘misstanden’ waarbij gehandhaafd zou moeten worden? Uit het onderzoek van februari 2016 blijkt dat dit voor vrijwel alle partijen, huurders, verhuurders en handhavers, niet eenduidig is.

Voorbeeld:

a. Drie volwassenen wonen in een huis met drie slaapkamers en een woonkamer, elk gebruiken ze een eigen slaapkamer. De huur betalen ze per persoon aan de verhuurder.
b. Drie volwassenen wonen in een huis met drie slaapkamers en een woonkamer, elk gebruiken ze een eigen slaapkamer. De huur betalen ze van een gezamenlijke rekening aan de verhuurder.
c. Drie volwassenen wonen in een huis met drie slaapkamers en een woonkamer, elk gebruiken ze een eigen slaapkamer. De huur betalen ze aan een van de drie huisgenoten, die het complete bedrag betaalt aan de verhuurder.

Hoewel het anders lijkt, zijn er juridisch gezien verschillen in deze situaties en kunnen ze allemaal onder een andere categorie vallen. Per geval moeten ze aan andere regels voldoen om legaal gehuurd en verhuurd te mogen worden.

Deze drie situaties zouden gezien kunnen worden als volgt:

a. Kan gezien worden als kamergewijze verhuur in een woning waarvoor een woningonttrekkingsvergunning nodig is. Zie voor verdere informatie https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/wonen/bijzondere-situaties/woningdelen/wonen-per-kamer/
b. Kan gezien worden als een woongroep die een woning huurt. Voor een legale situatie moet in dit geval ook voldaan worden aan een aantal andere voorwaardes, te vinden op https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/wonen/bijzondere-situaties/woningdelen/wonen-per-kamer/
c. Kan gezien worden als inwoning, en is legaal als voldaan wordt aan bepaalde regels, zoals te vinden op https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/wonen/bijzondere-situaties/woningdelen/inwonen/

De verschillen zijn in deze situaties klein en daardoor is voor handhaven ook relatie weinig draagvlak, doordat het gevoel van rechtsongelijkheid in de hand wordt gewerkt. Het kan dan ook voorkomen dat er om die rede soms niet wordt opgetreden door de gemeente. Een effect van handhaven zou namelijk kunnen zijn dat de bewoners worden uitgezet. Iets wat de gemeente niet ambieert, aangezien de overtreding over het algemeen niet bewust begaan is door de bewoners, of ook door de verhuurder niet.

Tegen de echte excessen, waarbij er meer volwassen huurders dan kamers zijn of waarbij de brandveiligheid in het geding komt, wordt natuurlijk wel handhavend tegen opgetreden.

De gemeente heeft naar aanleiding van de bevindingen in het onderzoek dan ook besloten om een deel van het beleid aan te passen en meer duidelijkheid te creëren. Het is de bedoeling dat dit aangepaste beleid eind 2016 van kracht wordt. (Zie ook https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/wonen/bijzondere-situaties/woningdelen/)

Bent u verhuurder of huurder, en twijfelt u of u legaal (ver)huurt, schroom dan niet om contact op te nemen met ons.

Alicia Schoo
schoo@m2advocaten.nl

, , ,

Voortzetting onderhuur. Moet waarborgsom worden terugbetaald?

Bij voortzetting van onderhuur door de hoofdverhuurder gaat de verplichting tot terugbetaling van de waarborgsom over op de hoofdverhuurder. Dit speelde onlangs in een zaak bij de Kantonrechter te Rotterdam. Het ging om de volgende casus.

Een woning is met toestemming van de hoofdverhuurder onderverhuurd. De onderverhuurder gaat failliet, waarna de curator de hoofdhuurovereenkomst heeft opgezegd. De onderhuurovereenkomst wordt vervolgens door de hoofdverhuurder voortgezet. Na verloop van tijd wordt de voortgezette (onder)huurovereenkomst beëindigd en maakt de huurder aanspraak op terugbetaling van de waarborgsom die hij destijds aan de onderverhuurder heeft betaald. De verhuurder weigert dit.

Aldus rijst de vraag of de verplichting tot terugbetaling van de waarborgsom op de hoofdverhuurder is overgegaan op het moment dat hij de onderhuurovereenkomst heeft voortgezet.

In artikel 7:269 BW is bepaald dat de onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woning waarin de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, bij beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst door de hoofdverhuurder wordt voortgezet. Maar in de wet is niet bepaald welke rechten en verplichtingen als gevolg van deze voortzetting op de hoofdverhuurder overgaan.

Volgens de Kantonrechter Rotterdam zijn in de parlementaire geschiedenis van artikel 7:269 BW geen aanwijzingen te vinden waaruit kan worden afgeleid dat de verplichtingen die in geval van voortzetting overgaan op de verhuurder, zo beperkt moeten worden uitgelegd dat daaronder niet de verplichting tot terugbetaling van de waarborgsom valt. Daarbij zoekt de Kantonrechter aansluiting bij artikel 7:226 BW (“koop breekt geen huur”), waarbij de Hoge Raad al lang geleden heeft bepaald dat de verplichting tot terugbetaling van de waarborgsom bij overdracht van het gehuurde overgaat op de nieuwe verhuurder.

Tevens laat de Kantonrechter meewegen dat zowel de hoofdverhuurder als de (failliet gegane) onderverhuurder professionele partijen zijn die zich bezig houden met de verhuur van woningen en dat in de hoofdhuurovereenkomst expliciet is bepaald dat onderverhuur is toegestaan.

Voor onderhuurders van zelfstandige woonruimte die bij aanvang van de onderhuur een waarborgsom hebben betaald en die met voortzetting van de onderhuur worden geconfronteerd, is het in ieder geval goed om te weten dat de door hen betaalde waarborgsom bij het einde van de voortgezette onderhuur door de hoofdverhuurder moet worden terugbetaald.

Meer weten? Neem gerust contact op.

Marius Rijntjes (rijntjes@m2advocaten.nl)

, ,

Zorgvastgoed: woonbegeleiding-en huurovereenkomst. Huurbescherming?

Bij het begeleid wonen zit een verzorgingscomponent en een huurcomponent. En nu wordt het interessant. Hoe zit het nu met de huurbescherming als ‘het spaak loopt’ tussen de verzorger en de verzorgde?

Een dergelijke  casus was laatst aan de orde bij het Hof Leeuwarden (Uitspraak 8 mei 2013). Kort de feiten en dan de juridische kern.

Lentis is een instelling die hulp biedt bij psychische problemen, onder andere door middel van woonbegeleiding.

Tussen diverse woningcorporaties in Groningen, de gemeente Groningen en hulpverleningsinstanties, zoals Lentis, bestaat sinds 2008 een samenwerkingsovereenkomst ter bevordering van de huisvesting van kwetsbare personen. Op basis van die samenwerking stellen de woningcorporaties aan de hulpverleningsinstellingen, zoals Lentis, woningen ter beschikking.

Zoals ook de woningcorporatie, Huismeesters, aan Lentis voor de periode van een jaar een woning verhuurde. Lentis verhuurde de woning met toestemming van Huismeesters onder aan een cliënt van haar, hierna: de verzorgde.

Aan de onderhuurovereenkomst tussen Lentis en de verzorgde was een woonbegeleidingsovereenkomst gekoppeld. In de onderhuurovereenkomst was opgenomen dat partijen (Lentis en de verzorgde) beogen om de verzorgde na een jaar onderhuur zelfstandig te laten huren en dat een woning uitsluitend door Lentis aan de verzorgde wordt aangeboden onder de voorwaarde van een woonbegeleidingsovereenkomst met Lentis.

De onderhuurovereenkomst en de woonbegeleidingsovereenkomst zijn net als de huurovereenkomst tussen Huismeesters en Lentis aangegaan voor de duur van een jaar.

Op een gegeven moment heeft Lentis de woonbegeleidingsovereenkomst en de onderhuurovereenkomst met de verzorgde opgezegd en beëindigd.

De reden voor die opzegging was dat de verzorgde niet had voldaan aan de voorwaarden die waren gesteld aan het Proefwonen. De verzorgde accepteerde de woonbegeleiding niet meer en was niet langer een goed huurder.

De verzorgde startte daarop een procedure tegen Huismeesters[1] en legde aan zijn vordering ten grondslag dat hij als onderhuurder jegens Huismeesters recht had op de in artikel 7:269 BW neergelegde bescherming. Deze bescherming komt er in het kort gezegd op neer dat de onderhuur in geval van beëindiging van de huur tussen huurder (verzorgde) en onderverhuurder (Lentis) wordt voortgezet door de verhuurder (Huismeesters).

Na te hebben vastgesteld dat Lentis de begeleidingsovereenkomst rechtsgeldig kon beëindigen komt de huurovereenkomst aan de orde. Het hof overweegt daartoe dat de begeleidingsovereenkomst en de onderhuurovereenkomst dermate nauw met elkaar zijn verbonden dat het eind van de begeleidingsovereenkomst tot gevolg heeft dat ook de huurovereenkomst niet in stand kan blijven.

De overeenkomsten kunnen naar het oordeel van het hof, gelet op hun opzet en hun inhoud, niet los van elkaar worden gezien in die zin dat de verzorgde bij het wegvallen van de woonbegeleidingsovereenkomst onverminderd aanspraak kan maken op het huurgenot, dat hem nu juist in het kader van die begeleiding is toegekend. Niet voor niets zijn de beide overeenkomsten gelijktijdig, met dezelfde ingangsdatum en contractsduur aangegaan, en met de uitdrukkelijke bepaling dat zij onderling van elkaar afhankelijk zijn.

De overeenkomsten kunnen dus niet los van elkaar worden gezien en dienen als één geheel van samenhangende verbintenissen te worden beschouwd, waarbij de afspraken omtrent de begeleiding naar zelfstandig wonen volgens de bedoeling van alle drie de betrokken partijen de essentie van de rechtsverhouding vormen.

De verzorgde was ermee bekend dat de woning hem zowel door Lentis als door Huismeesters uitsluitend in zijn hoedanigheid van cliënt van Lentis ter beschikking werd gesteld, specifiek om het leerproces naar zelfstandig wonen te dienen. Zijn woongenot was daarmee onlosmakelijk met onderwerping aan de woonbegeleiding verbonden. Gelet op die koppeling moet worden aangenomen dat indien de zo wezenlijke woonbegeleiding eindigt, ook de daarmee verband houdende aanspraak om de woning te bewonen in haar kern getroffen wordt.

De conclusie van het hof is dan ook dat Lentis haar relatie met de verzorgde mocht verbreken en dat de verzorgde jegens Huismeesters dus niet de bescherming van art. 7:269 BW toekomt.

Het is overigens in dit verband een vreemde uitspraak omdat de toetsingsgronden van artikel 7:269 BW een andere zijn dan de toetsing die nu wordt aangelegd door het Hof. De uitkomst lijkt echter wel redelijk en lijkt meer gericht te zijn op de vraag of er wel sprake is van toepasselijkheid van het huurrecht en daarmee van huurbescherming.

Tot slot.

In dit geval ging het goed. Er zijn echter ook genoeg uitspraken te vinden waar, ondanks een zorgcomponent toch wordt geoordeeld dat de verzorgde aanspraak kan maken op huurbescherming. Het zit ‘m uiteindelijk in de formulering van de overeenkomsten. Het blijft dus van groot belang die overeenkomsten zorgvuldig op te stellen en met elkaar ‘te koppelen’.

Vragen?

Michel Visser (visser@m2advocaten.nl)



[1] Apart is dat de verzorgde er kennelijk voor heeft gekozen niet ook een procedure tegen Lentis in te stellen gericht op de nakoming van de onderhuurovereenkomst.